Staartmezen kunnen niet zonder familie

  • Staartmezen houden van elkaars gezelschap (Rechten: Saxifraga/Piet Munsterman)

Kleine, zwart-witte bolletjes zijn het, met een lange staart: staartmezen. Tijdens koude winternachten zoeken ze elkaars gezelschap op om warm te blijven; ze kruipen dicht tegen elkaar aan op een tak. Ook de rest van het jaar laat deze zangvogel zich van zijn sociale kant zien.

Staartmezen leven met zo'n vijf tot twintig familieleden in een territorium van ongeveer twintig hectare. Samen zoeken ze naar voedsel en verdedigen ze dit gebied tegen andere groepen.

Sociaal dier

Elke staartmees heeft een iets andere roep. De vogels in een familiegroep herkennen elkaar aan dit deuntje. Al rondscharrelend in bomen en struikgewas roepen ze steeds naar elkaar. Als een groepslid ergens blijft hangen, dan wacht de rest van de groep op de treuzelaar.

Staart als sieraad

Staartmezen hebben hun lange staart niet voor niets. Het is een belangrijk attribuut om vrouwtjes mee te verleiden. Tijdens een soort golvende vlindervlucht spreidt en sluit het mannetje zijn staart, soms met meerdere mannetjes tegelijk om één vrouwtje heen. De vrouwtjes kunnen dit niet weerstaan. En hoe langer de staart, hoe beter.

Bolvormig nest

In het voorjaar vallen de groepen tijdelijk uiteen. Mannetjes en vrouwtjes uit naburige territoria vinden elkaar en vormen broedpaartjes. Het nestje bouwen ze in het gebied van het mannetje. De bouw kan wel een maand in beslag nemen en levert een opvallend resultaat op: een klein bolletje dat van buiten bekleed is met mos, korstmossen en spinrag en van binnen gestoffeerd met veertjes.

Hoe eerder in het jaar de vogels het nestje bouwen, hoe meer veertjes ze ter isolatie gebruiken. Het nestje is zo klein dat de staart van het vrouwtje er niet in past. Daar heeft ze iets op gevonden: ze klapt de staart dubbel op haar rug. Na de broedtijd kun je daarom staartmeesjes tegenkomen met een knik in de staart.

Afbeelding
Een staartmees legt zo'n acht tot twaalf eieren (Rechten: Wikimedia Commons)

Gezinsuitbreiding

Vanaf april worden de eerste jonkies geboren, meestal zo'n acht tot twaalf per legsel. Na een kleine drie weken vliegen ze uit, maar worden dan nog een paar weken gevoerd door de ouders. Zodra de eieren zijn uitgekomen, dienen zich assistenten aan die de ouders helpen bij het voeren.

Bij staartmezen is het gebruikelijk dat een derde of soms vierde soortgenoot zich bij de ouders aansluit. De helpers zijn vogels die het zelf niet gelukt is om dat seizoen een nestje voort te brengen. Ooms of tantes maken zich zo nuttig en vergroten de kans dat de jongen volwassen worden.

Geen echte mees

Ondanks zijn naam is de staartmees geen mees; het kleine vogeltje is niet eens familie van de mezen. Staartmezen vormen een aparte familie met veertien soorten. Een van die soorten is de staartmees die wij kennen. Deze soort komt voor van West-Europa tot oostelijk Siberië en Japan.

Een andere soort die zich weleens in ons land laat zien is de witkopstaartmees. Soms is er sprake van een ware invasie. Als veel witkopstaartmezen een zachte winter in Scandinavië overleefd hebben, stichten meer mezen in het voorjaar een gezin. Bij gebrek aan ruimte zoeken de jongen na het uitvliegen hun geluk elders en komen zo in Nederland terecht.

Contact
opnemen