Drentsche Aa is thuis voor bijzondere vissen

  • De kleine modderkruiper is een zeer beweeglijke zoetwatervis (Rechten: Saxifraga/Kees Marijnissen)

De Drentsche Aa is een van de weinige bekenstelsels waarvan de loop nauwelijks door de mens is beïnvloed. De stroompjes meanderen er lustig op los en trekken zo bijzondere vissoorten aan die zich juist hier thuis voelen. Door het geringe verval hebben de beken een vrij lage stroomsnelheid.

Dankzij de specifieke omstandigheden in de Drentsche Aa leven hier maar liefst zes karakteristieke beekvissoorten: het bermpje, de kleine modderkruiper, de serpeling, de rivierdonderpad, de winde en de rivierprik.

Winde

De winde of zilverwinde is een zoetwatervis die tot de karperachtigen behoort. Net als een karper heeft deze vis sterke en scherpe keeltanden, waarmee hij stevig voedsel kan vermalen. De winde houdt van zuurstofrijk water, een schone en slibvrije zand- of grindbodem met wat waterplanten en een lage stroomsnelheid.

Voor zijn voortplanting is de winde afhankelijk van stromend water. Aan het eind van de winter trekken de vissen in scholen stroomopwaarts naar de paaigronden. Ten behoeve van de winde, en ook de serpeling, zijn op verschillende plekken in de provincie vistrappetjes aangelegd: waterbakken op verschillende hoogtes, waardoor de vis steeds een stukje hoger kan zwemmen of springen.

Serpeling

De serpeling is ook een karperachtige, met een grootte van maximaal dertig centimeter. Deze vissen leven van insecten, insectenlarven en algen. In de winter eten ze ook slakjes en erwtenmossels. De serpeling stelt dezelfde eisen aan zijn omgeving als de winde.

In maart en april plant de serpeling zich voort. De dieren trekken naar ondiepe grindrijke paaigronden waar de mannetjes samenscholen en ieder een territorium verdedigen. In een paaikuil in de bodem leggen vrouwtjes de eitjes.

Bermpje

Het bermpje is een langwerpige bodemvis, met een afgeplatte kop en naar beneden gerichte bek met zes bekdraden. Met die bekdraden lokaliseert de vis zijn voedsel. Hij is 's nachts actief en jaagt op kleine waterinsecten en wormen. Het bermpje stelt schoon water zeer op prijs en is erg gevoelig voor zware metalen. Stenen en wortels in de beek zorgen voor schaduw en beschutting.

Iets later dan de serpeling planten bermpjes zich voort in april, mei en juni. De vrouwtjes verspreiden de eitjes die zich vervolgens hechten aan takken en planten in het water. De dieren worden niet langer dan twintig centimeter en leven vooral in beken, maar ook in vaarten en sloten waar het water voldoende stroomt.

Afbeelding
Kees en Loes zoeken naar vis in de Drentsche Aa (Rechten: RTV Drenthe)

Rivierdonderpad

De familie van de donderpadden omvat zowel zoetwater- als zoutwatervissen. De rivierdonderpad is een zoetwatervis uit deze familie. Deze bodemvis wordt niet groter dan vijftien centimeter en zoekt beschutting onder stenen, takken en boomwortels. 's Nachts gaat hij erop uit om voedsel te zoeken: vlokreeften, waterpissebedden, muggenlarven, kleine visjes en visseneieren.

Het vrouwtje gebruikt de beschutting in de beek ook als nestholte. In maart en april legt zij daar de eitjes die het mannetje bevrucht en bewaakt. De rivierdonderpad houdt van heldere, kleine beken met een zandige of stenige bodem.

Kleine modderkruiper

De kleinste van het stel is de kleine modderkruiper, niet te verwarren met de grote modderkruiper of het bermpje. De eerste twee zijn lid van de familie van de modderkruipers, de kleine wordt niet groter dan elf centimeter en de grote is herkenbaar aan zijn donkerbruine kleur met geeloranje buik en zwarte lengtestrepen. De kleine modderkruiper heeft een stekel onder het oog waarmee hij zich onderscheidt van het bermpje.

De kleine modderkruiper heeft een voorkeur voor stilstaand of langzaam stromend ondiep water met veel waterplanten. Overdag verschuilen de vissen zich tussen planten of graven ze zich in. 's Nachts voeden ze zich met hapjes uit de bodem waar ze zoöplankton, kleine macrofauna, algen en dood organisch materiaal uit filteren. Tussen april en juli planten ze zich voort.

Rivierprik

De rivierprik is een bijzondere in dit lijstje, omdat het geen echte vis is, maar een rondbek of kaakloze vis. Deze dieren bestaan al miljoenen jaren en hebben geen bek, maar een rasp met vijf tot zeven scherpe tanden. Ze zuigen zich met hun mondschijf vast op vissen om zo hun lichaamssappen op te slurpen.

De dieren worden dertig tot vijftig centimeter lang en hebben een cilindervormig en langgerekt lichaam. Rivierprikken houden van schoon en snelstromend water. Met het plaatsen van stenen 'drempels' waardoor kleine stroomversnellingen ontstaan, wordt aan deze wens tegemoet gekomen.

Volwassen rivierprikken leven in de kustzones en trekken pas landinwaarts als het tijd wordt om zich voort te planten. Ze leggen honderden kilometers af naar paaiplaatsen in beken en rivieren. In Drenthe is het Gasterense Diep dé plek waar ze naartoe gaan. De eitjes worden tussen maart en mei afgezet in een nestkuil. Daarna sterven de ouders en graven de jongen zich in slibbodems of organische afvalhopen in. Na een jaar of vier transformeren ze naar hun volwassen vorm en trekken ze naar zee.

Vaar in deze uitzending van ROEG! mee over de Drentsche Aa. Op zaterdag vanaf 17.11 uur zie je het tweede deel van de vaartocht op TV Drenthe.

Lees ook:

Contact
opnemen